Frank Paardekooper met zijn Buick Electra uit 1968
Frank Paardekooper met zijn Buick Electra uit 1968

Frank Paardekooper doet zijn Dingetje

· leestijd 5 minuten Actueel

Toen Frank Paardekooper decennia geleden als jonge gast terugkwam van vakantie paste zijn sleutel niet meer op de Zandvoortse voordeur. Achter de ramen van de Zandvoortse woning, waar hij bij zijn ouders woonde, was het leeg. Na een telefoontje met zijn zus, bleek dat pa en ma inmiddels ergens anders woonden. 

In de vijf weken dat hij in Spanje zat, had zijn vader het huis verkocht, een andere woning gekocht en de verhuizing geregeld. Bij binnenkomst leek het alsof de familie er al tien jaar woonde, wat best een prestatie was voor een gezin dat tijdens Franks jeugd dertien keer verhuisde. Allemaal binnen Zandvoort, want er zijn natuurlijk grenzen aan avontuurlijk gedrag.

Wie hem kent als Dingetje, de man van de rubberen kaplaarzen, Illegale Joop en een verzameling radio typetjes waarvoor normaal gesproken een touringcar nodig is, zou kunnen denken dat zoiets de basis vormt voor een leven vol ontregeling. Maar Frank is niet zo makkelijk te verklaren, gelukkig maar.

De man die op televisie probleemloos een keurige uitzending kon laten ontsporen, stierf voor een optreden duizend doden. Hij kon een zaal aan het lachen krijgen en tegelijk hartgrondig verlangen naar het moment dat hij weer naar huis mocht. Een artiest wilde hij zichzelf dan ook niet noemen. hij was een anti-artiest oftewel antiest.

Zandvoort kwam in zijn leven toen hij drie maanden oud was en zijn vader een huis in de Van Speijkstraat kocht. De Amsterdamse familie kende het dorp van het kamperen op het Zuidstrand, waarvan nog foto’s bestaan met keurig geklede mannen op houten klapstoeltjes. Vakantie vieren kon kennelijk ook gewoon met een stropdas om. Frank is zijn ouders nog altijd dankbaar dat ze hier neerstreken, want hij had er een fantastische jeugd. Strand en duinen om de hoek, Haarlem op fietsafstand, desnoods op zijn fiets uit 1932: wat zou een mens eigenlijk verder nog moeten zoeken?

Zijn moeder werd soms rusteloos, bijvoorbeeld wanneer het uitzicht op zee dat ‘s zomers zo prachtig was, veranderde in een grijze wintermassa. Zijn vader werkte ondertussen hard in de boekbinderij van de familie en wist ook een verhuizing er nog wel even tussendoor te persen. Frank ging naar de Mariaschool en de Gertenbach, waar zijn eigenzinnigheid niet altijd binnen het lesrooster paste. Nadat hij een leraar een klap had gegeven, moest hij van school, iets waarvoor hij later zijn excuses aanbood. Na een jaar op de LTS keerde hij terug en gedroeg hij zich beter; zijn vrienden waren intussen blijven zitten, dus het weerzien was uitstekend geregeld.

In 1976 belandde hij via een uitzendbureau bij KLM, omdat hij nog niet wist wat hij wilde. Toen hij mocht blijven, zag hij om zich heen ansichtkaarten van exotische bestemmingen en leek het hem daar wel gezellig voor een tijdje.
Het werden ruim 43 jaar, waarin hij onder meer wereldwijde edelmetaaltransporten organiseerde, met alle berekeningen en douaneformaliteiten die daarbij hoorden. Achter de man van de onzin ging dus iemand schuil die moest zorgen dat kostbare vracht op de juiste bestemming aankwam. Bovendien leverde die internationale werkomgeving een schat aan stemmen, accenten en onbedoeld komische collega’s op, waarvoor geen castingbureau hoefde te worden ingeschakeld.

Een jaar na zijn komst bij KLM werd hij ineens Dingetje, dankzij Ger Loogman, zijn vriend van inmiddels meer dan zestig jaar, toen platenplugger en de geestelijke vader van het personage. Een voor de lol opgenomen parodie op ‘Cocaïne In My Brain’ van Dillinger belandde via Ger bij diens platenbaas, die hem wilde uitbrengen. ‘Ik ga weg Leen’ werd een hit en Frank was van kantoorklerk tot artiest gebombardeerd, zonder dat hij daar zelf een aanvraag voor had ingediend. Ger zag mogelijkheden waar Frank vooral aarzelingen voelde, en dat verschil zou hun samenwerking blijven kleuren. Hij trapte vaak op de rem, vertelt hij, omdat het zelfvertrouwen ontbrak om te doen wat zijn vriend hem zag doen.

Dat maakt Ger zoveel meer dan een naam op een platenhoes: hij was de creatieve wederhelft die bleef trekken tot er weer iets loskwam. Frank noemt hem de motor en zegt dat hij in al die jaren nooit ook maar iets van woorden met hem heeft gehad. Samen bedachten en maakten ze tientallen platen, waarbij Gers teksten eenmaal in de studio een geheel eigen leven konden gaan leiden. Uit het hoofd leren en keurig uitvoeren was niets voor Frank; het moest op dat moment gebeuren. Zijn inspiratie vond hij onder meer in Amsterdamse koffiehuizen, waar chauffeurs ‘s ochtends om acht uur koffie met een gehaktbal bestelden en achter de bar een vrouw met een indrukwekkend kapsel de regie voerde.

Met die wereld in zijn hoofd kwam hij in de televisiestudio terecht, waar draaiboeken juist bedoeld waren om verrassingen uit te sluiten. Tijdens een camera repetitie liet hij, terwijl een regisseur tegen hem sprak, zijn veel te ruime broek zakken door de bretels los te maken. Zij stond zo dichtbij dat ze het niet zag, terwijl André Hazes niet meer bijkwam. Bij een ander optreden begreep André van Duin precies hoe het werkte en adviseerde hem tijdens de repetitie braaf te doen wat er gevraagd werd; eenmaal in de live-uitzending zouden ze de camera toch niet uitzetten en kon hij zijn gang gaan. Dat was nog eens collegiale begeleiding waar hij iets aan had.

Toch vond hij werken in de platenstudio leuker dan optreden, waarvoor hij naar eigen zeggen telkens duizend doden stierf. De hit ‘Kaplaarzen’ bracht in 1992 nieuwe verplichtingen, maar de bijbehorende clip bleef overzichtelijk: een geleend schepnetje, een geleend waadpak en het strand. Ook het Zandvoorts Mannenkoor kreeg een plek in zijn muzikale bestaan, met ‘Het drinklied’. Tijdens een gezamenlijk televisie avontuur in België werd die titel zo serieus genomen dat het bijeenhouden van het gezelschap een flinke opgave werd. Wie Frank erover hoort vertellen, begrijpt dat het plezier achter de schermen minstens zo belangrijk was als het plaatje dat uiteindelijk thuis op de draaitafel belandde.

Die vrijheid bewaakt hij nog steeds bij zijn radiowerk voor Somertijd op 100% NL, waarvoor hij verhalen rond zijn typetjes bedenkt. Het begon met de vraag of hij eens de files mocht voorlezen met een voorzichtig Limburgs accent, wat niet de bedoeling was bij officiële verkeersinformatie. Inmiddels bevolkt hij de ether met een hele verzameling personages. Hij vindt het fijn dat mensen er nog om lachen en dat hij erbij hoort, maar wil ook kunnen stoppen wanneer de lol verdwenen is. Humor laat zich bij hem wel uitnodigen, alleen liever niet commanderen.

Na zijn pensioen verveelt hij zich geen moment, met zijn vrienden, de radio en zijn liefde voor grote Amerikaanse auto’s. Die begon met bouwpakketjes van Revell en werd definitief toen hij als jonge bestuurder een Ford door Amsterdam mocht rijden. Nu heeft hij een Buick Electra uit 1968, zo’n auto die volgens hem ook van binnen gezellig is. Achter die liefde zitten bovendien ontmoetingen, zoals met een Amerikaanse verkoper die eerst uitgebreid over zijn oorlogservaringen vertelde voordat de auto ter sprake kwam. Frank onthoudt de stemmen en accenten, maar ook de mensen die erbij horen.

Misschien zit juist daarin het bijzondere van Dingetje: hij kijkt en luistert, bewaart wat een ander voorbij laat gaan en geeft het op een onverwacht moment terug, een beetje uitvergroot en heerlijk uit het lood. Daar hoeft hij zelf geen groot artiest voor te heten, zolang iemand er maar plezier aan beleeft. Zijn leven bracht hem in televisiestudio’s en verre landen, maar Zandvoort bleef de plek waar hij thuishoort.

Hij heeft alleen wel eens even moeten bellen om te vragen achter welke voordeur dat precies was.

Mick Boskamp