
Tino Stuij: de regisseur van zijn eigen leven
· leestijd 4 minuten ActueelHij stond aan de wieg van BNN, bedacht en ontwikkelde televisieprogramma’s die miljoenen mensen kennen, werkte met de grootste sterren en onder zijn creatieve leiding werden twee Televizier-Ringen gewonnen. Mick Boskamp sprak met een geboren en getogen Zandvoorter en maakte vervolgens onderstaand portret.
Het eerste betaalde baantje van Tino Stuij staat nog altijd op zijn cv. Niet omdat het zo belangrijk was voor zijn verdere loopbaan, maar vermoedelijk omdat bijna niemand anders ermee kan aankomen: assistent-dolfijntrainer in Dolfirama. Vis snijden voor de dolfijnen, twee of drie shows per dag draaien, zeeleeuwenhokken verschonen en poep opruimen. Je moet ergens beginnen.
Dat begin lag niet ver van huis. Tino is geboren en getogen in Zandvoort, woonde in verschillende straten in het dorp en ging er naar school. De zee was er altijd. Zijn verjaardagen, op 5 juni, werden als kind op het strand gevierd. Zandvoort zit niet alleen in zijn geheugen, maar ook in zijn systeem.
Schrijvende journalistiek
Na zijn avonturen tussen de dolfijnen koos hij voor de journalistiek. Eerst bij een lokale krant in Beverwijk, waar hij naar eigen zeggen leerde schrijven over alles wat voorbijkwam: een voetbalwedstrijd, een theatervoorstelling of de slager die zijn gehaktballen in de aanbieding had. Een betere schrijfschool bestaat nauwelijks.
Daarna volgden de tijdschriften. Panorama, Story, Hitkrant en nog een hele reeks titels. Tino ontdekte bovendien een bijzonder efficiënte vorm van journalistiek. Als hij tegenover Herman Brood, André Hazes of Robert Long zat, interviewde hij diezelfde artiest gewoon voor meerdere bladen tegelijk. De platenmaatschappijen waren dol op hem. Eén uur Tino en iedereen was klaar.
Zijpaadje naar televisie
Maar ergens halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw kwam Bart de Graaff voorbij. Of Tino misschien televisie wilde maken. Eigenlijk niet. Schrijven vond hij veel leuker. Voor televisie heb je camera’s, mensen, geld en gedoe nodig. Voor schrijven heb je in principe genoeg aan een pen en fantasie. Maar Bart hield kennelijk aan en Tino ging
overstag. Het bleek een vrij beslissend zijpaadje.
Samen met Bart de Graaff en Gerard Timmer behoorde hij tot het kleine team van pioniers waaruit BNN zou ontstaan. Het werd een tijd die niet meer voor te stellen is. Een idee kon op dinsdag worden bedacht en woensdag worden uitgevoerd. Geen twaalf vergaderingen, zeven managers en een spreadsheet waarin iemand moest uitleggen waarom iets leuk was. Alles kon. En dus gebeurde er ook van alles.
Tino schreef teksten voor Bart, bedacht programma’s en ontdekte hoe verslavend het is wanneer creativiteit niet eerst door twaalf hoepeltjes hoeft te springen. Later werkte hij als programmabaas bij RTL, keerde terug naar BNN en was bijna tien jaar creatief verantwoordelijk bij de KRO. Zo zat hij bij een jonge brutale omroep, de grootste commerciële zender én een grote publieke omroep.
Op al die plekken liet hij sporen achter. De Lama’s. RTL Boulevard. Over de Streep. En natuurlijk Over Mijn Lijk, het programma waarin jonge mensen worden gevolgd die ongeneeslijk ziek zijn. Het zijn titels die soms hilarisch zijn en soms recht je hart in gaan. Precies die combinatie zegt veel over de maker. Want achter de man die een grote bek kan opzetten, zit iemand die opvallend geïnteresseerd is in mensen die het minder getroffen hebben.
Tino maakte programma’s over mensen in de psychiatrie, mensen met een beperking, terminaal zieken en mensen die buiten de gebruikelijke hokjes vallen. Niet alleen omdat het goede televisie kon opleveren. Hij wilde hun verhalen vertellen. Bij Over de Streep zag hij bijvoorbeeld mensen die op het eerste gezicht elkaars tegenpolen waren, uiteindelijk ontdekken hoeveel ze gemeen hadden.
Nachtdiensten zorgcentrale
Dat interesseert hem. Niet wat mensen van elkaar scheidt, maar wat er gebeurt wanneer je lang genoeg kijkt om te ontdekken wat hen verbindt. Misschien verklaart dat ook waarom Tino tegenwoordig op een plek werkt waar niemand hem vanwege zijn televisie-cv nodig heeft. Een aantal nachten per maand werkt hij in een zorgcentrale. Daar houdt hij via monitoren en geluid mensen in de gaten die ‘s nachts hulp nodig kunnen hebben.
Mensen met epilepsie, psychiatrische problemen of zware trauma’s. Vluchtelingen die dingen hebben meegemaakt die je niemand toewenst. Maar ook oude dametjes die midden in de nacht vrolijk een liedje zingen. Hij doet dat niet omdat het financieel interessant is. Sterker nog: met televisie kan hij in dezelfde tijd het meervoudige verdienen. Dat interesseert hem, om het in Tino-taal te zeggen, geen reet. Hij vindt het mooi werk.
Zelf noemt hij de mensen die zich inzetten voor patiënten de engelen van de nacht. Verzorgers die om drie uur ‘s nachts iemand wassen, verschonen of geruststellen en daarvoor een vergoeding krijgen waarvan Tino zich hardop afvraagt hoe we ons daarvoor als samenleving niet diep schamen. En misschien vertelt dat meer over Tino Stuij dan twee Gouden Televizier-Ringen, nominaties, prijzen en een imposant cv ooit kunnen doen.
Niet dat hij op dat televisieverleden neerkijkt. Integendeel. Zijn laatste programma De Afhaalchinees leverde hem de gezaghebbende televisieprijzen de zilveren Nipkowschijf en de Tegel op en dat vindt hij leuk. Natuurlijk vindt hij dat leuk. Alleen hangt zijn geluk er niet meer vanaf.
Pre-pensioen
Hij bevindt zich in de periode van zijn leven die hij pre-pensioen noemt. Niet omdat hij van plan is achter de geraniums te verdwijnen. Daarvoor gebeurt er veel te veel in zijn hoofd. Hij geeft masterclasses, adviseert programmamakers en mediabedrijven, coacht mensen, schrijft zijn zeer aanstekelijke en mooie, korte beschouwingen en verhalen en heeft inmiddels zelfs een tweede boekje klaarliggen. Maar het heilige moeten is verdwenen. Als hij een week niets wil doen, doet hij een week niets. En als hij zin heeft om ‘s nachts in een zorgcentrale te werken, doet hij dat.
Rond zijn veertigste nam Tino zich twee dingen voor. Het eerste was dat hij nooit meer met klootzakken zou werken. Dat voornemen bleek in de praktijk niet volledig haalbaar.
Het tweede lukte beter: “Ik ben de regisseur van mijn eigen leven”. Misschien is dat ook waarom hij na alles wat hij heeft gezien nog steeds in Zandvoort woont.
Wanneer ik hem vraag wat hij het mooiste vindt aan het dorp, begint Tino niet over het strand, de duinen of de zee maar zegt hij: “Het gevoel dat ik weg kan.” Een wonderlijk antwoord voor iemand die helemaal niet weg wil. Maar Tino bedoelt iets anders. In een stad kan hij zich benauwd voelen. Hier ligt aan het einde van de straat de zee. Daarna is er niets. Je kúnt weg. Dat is genoeg.
En eigenlijk past dat antwoord perfect bij de man die ooit begon met vis snijden voor dolfijnen, vervolgens een halve Nederlandse televisiewereld hielp vormgeven en tegenwoordig soms midden in de nacht over mensen waakt die hem harder nodig hebben dan een televisiester ooit deed.
Tino Stuij hoeft nergens meer heen. Maar hij wil wel altijd weten dat het kan.







