Jan Lammers
Jan Lammers Foto: Saar Beau

Jan Lammers: De man die het dorp nooit verliet

· leestijd 4 minuten Actueel

Wie Jan Lammers alleen kent als autocoureur, Le Mans-winnaar, Formule 1-coureur of sportief directeur van de Dutch Grand Prix kent eigenlijk maar een deel van het verhaal. Want zoals uit dit gesprek met Mick Boskamp blijkt, is dat achter al die prestaties vooral een mensenmens schuilt.

Dat wordt al snel duidelijk wanneer hij in het Zandvoorts Museum voor een grote maquette staat van de Watertorenbuurt zoals die er in de jaren zestig uitzag. De buurt waar hij opgroeide. Terwijl zijn vinger over de miniatuurstraatjes glijdt, lijkt hij niet zozeer naar huizen te kijken, maar naar momenten in zijn jonge leven.

Die herinneringen brengen hem al snel bij Daan Pot. Voor veel Zandvoorters een legendarische figuur. Kleurrijk, eigenzinnig en onmogelijk in een hokje te plaatsen. Voor Jan was hij vooral een jeugdvriend. “Daantje was gewoon mijn maatje.”

Wanneer het gesprek op hem komt, hoor je direct de warmte in zijn stem. Die warmte verdwijnt geen moment, ook niet wanneer het gesprek een verdrietiger wending krijgt. Want Daan Pot maakte uiteindelijk een tragisch einde aan zijn leven.

Jan valt even stil. “Liefde is gelukkig onsterfelijk. Dus ik hou nog steeds van hem.”

Het is misschien wel de meest veelzeggende uitspraak van deze middag. Niet omdat het alleen iets zegt over Daan, maar vooral omdat het iets zegt over Jan zelf. Over de manier waarop hij naar mensen kijkt. Zonder oordeel, met begrip en met een opmerkelijke loyaliteit.

Die betrokkenheid zie je ook terug in de manier waarop hij over Zandvoort praat. Hoewel hij de wereld over reisde en op de grootste circuits van de aarde reed, bleef het dorp altijd zijn thuisbasis. “Ik heb nog nooit een strand gezien dat mooier is dan dat van Zandvoort.”

Dat klinkt misschien chauvinistisch, maar bij Jan klinkt het vooral als oprechte liefde voor de plek waar alles begon. De duinen, het strand, de zee en het dorp vormen nog altijd een belangrijk onderdeel van zijn identiteit.

Die verbondenheid met Zandvoort kreeg de afgelopen jaren een extra dimensie door de terugkeer van de Formule 1. Als sportief directeur van de Dutch Grand Prix stond Jan aan de basis van een project dat jarenlang voor onmogelijk werd gehouden. Toch gebeurde het. De Formule 1 keerde terug naar Zandvoort en groeide uit tot een internationaal succes.

Het evenement kreeg wereldwijd lof voor de organisatie en sfeer. Zandvoort werd zelfs uitgeroepen tot Promoter of the Year en liet daarmee circuits als Monaco, Silverstone en Monza achter zich.

Toch is het opvallend hoe ontspannen Jan tegenwoordig over het afscheid van de Formule 1 praat. Veel mensen vinden het jammer dat de Dutch Grand Prix na 2026 van de kalender verdwijnt. Jan ziet dat anders. Hij vergelijkt het met de eerste overwinning van Max Verstappen. Toen Max voor het eerst een Grand Prix won, stond heel Nederland op zijn kop. Inmiddels wint Verstappen zo vaak dat een overwinning bijna vanzelfsprekend is geworden.

Volgens Jan werkt succes nu eenmaal zo. Juist omdat iets bijzonder is, moet je oppassen dat het niet gewoon wordt. De terugkeer van de Formule 1 naar Zandvoort leek jarenlang onmogelijk. Vervolgens gebeurde het toch. Het evenement werd een succes, kreeg internationale erkenning en zette Zandvoort wereldwijd op de kaart. Dan is het volgens hem ook prima om op een hoogtepunt afscheid te nemen.

Dat betekent niet dat alles altijd vlekkeloos verliep. Zo kijkt hij nog altijd met enige verbazing terug op de discussie rond de zogeheten funtax. De organisatie van de Grand Prix vond het moeilijk te begrijpen dat een evenement dat volledig zonder overheidssubsidie werd georganiseerd en tegelijkertijd miljoenen euro’s naar Zandvoort bracht, extra belast werd.

Toch veranderde die discussie weinig aan het grotere plaatje. Wat overheerst is trots. Trots op wat er is neergezet, op de vrijwilligers, op de ondernemers en op het dorp zelf. Want volgens Jan was de Dutch Grand Prix nooit alleen een raceweekend. Het was vooral een visitekaartje van Zandvoort.

Misschien verklaart dat ook waarom hij na al die jaren nog steeds zo geliefd is. Niet alleen omdat hij hard kon rijden, Le Mans won en Formule 1 reed, maar vooral omdat hij ondanks alles altijd dezelfde jongen uit de Watertorenbuurt is gebleven.

Aan het einde van het gesprek verschijnt er nog een andere glimlach op zijn gezicht. Niet wanneer het over zijn eigen carrière gaat, maar wanneer het gesprek op zijn zoon René komt. De jonge coureur timmert stevig aan de weg. Hij sloot zijn kartperiode af als nummer één van de FIA World Ranking, werd Europees kampioen en behaalde een tweede plaats op het wereldkampioenschap. Daarna volgden overwinningen in de Formule 4 en inmiddels rijdt hij in Eurocup 3, een klasse vlak onder de Formule 3. 

Toch noemt Jan niet als eerste wat René allemaal al heeft bereikt. “Het fijnste van alles vind ik dat we het beste van hem nog gaan zien.” Het is een uitspraak waarin meer vader dan coureur spreekt. Op de vraag wat René eigenlijk van hem heeft geleerd, volgt een antwoord dat typerend is voor Jan. “Je begint zoiets misschien dankzij mij. En dan krijg je een periode waarin het ondanks mij is, want je moet hem ook niet in de weg gaan zitten.”

Hij lacht erbij. Want ook dat hoort bij het vaderschap. Loslaten. Elkaar opnieuw leren begrijpen. Accepteren dat een zoon uiteindelijk zijn eigen weg moet vinden. Dat neemt zijn trots natuurlijk niet weg. Maar hij voegt er wel meteen een nuchtere kanttekening aan toe. “Als je spits bent, moet je scoren. Als je keeper bent, moet je ballen tegenhouden. En hij moet hard rijden en races winnen.”

Het is de realistische blik van iemand die weet wat topsport vraagt. Maar tegelijkertijd hoor je ook de vader die zichtbaar geniet van de ontwikkeling van zijn zoon.

Misschien is dat uiteindelijk wel de mooiste rode draad in het leven van Jan Lammers. Niet de races die hij won, niet de Grand Prix die hij terugbracht en zelfs niet de indrukwekkende carrière die hij opbouwde. Het gaat uiteindelijk om de mensen die onderweg belangrijk waren. Om een jeugdvriend die hij nooit vergat, een dorp waar hij altijd naar terugkeerde en een zoon van wie hij denkt dat we het beste nog gaan zien.