Afbeelding
Foto: Collectie Michael Cusack

WK 1974 in Duitsland door de ogen van dorpsgenoot Peter van Leersum

· leestijd 10 minuten Actueel

In 1974 was onze dorpsgenoot Peter van Leersum een van de aanwezigen op het WK in Duitsland. Niet als supporter maar als ‘lay-out man’ van het voetbalweekblad Kick was hij druk aan het werk. Zijn herinneringen aan dat, achteraf gezien, voor Nederland traumatisch verlopen toernooi in 1974 heeft hij op bondige wijze opgeschreven. Hoogtepunt was zijn aanwezigheid bij de wedstrijd tegen toenmalig wereldkampioen Brazilië. 

Toen Rinus Michels in 1974 werd gevraagd wat hij ervan vond dat hij door de KNVB naast bondscoach Franticek Fadrhonc werd geplaatst als supervisor tijdens de WK in Duitsland, antwoordde hij: “Ik ken meneer Farendonk niet, maar als het moet, moet het, want met kwaaie honden is het slecht kersen eten”.

Het team van voetbalweekblad Kick, onder leiding van Ruud Bonewit, vertrok in juni 1974 naar Köln om het WK in Duitsland te verslaan.

Eigenlijk had De Spaarnestad, onderdeel van de VNU, besloten de uitgave van het noodlijdende magazine te stoppen, maar hoofdredacteur Ruud Bonewit wist de uitgever ervan te overtuigen dat er voor zijn ploeg geen toekomst in de voetbaljournalistiek zou zijn als zij dit toernooi zouden missen.

Dus werd er besloten een aantal kamers te reserveren in een meer dan redelijk hotel in Keulen. Bovendien achtte bijna niemand de kans dat onze nationale elf ver zou komen al te groot, dus dat zou de VNU de kop niet kosten.

Zo namen Ruud Bonewit, Koos de Boer, John Drieskens, Kees Jansma, Lex Muller, Bert Nederlof, Eddy Poelman en Harry Vermegen in gezelschap van een handje fotografen en een layout man hun intrek in dat meer dan redelijke hotel in het centrum van Keulen. 

Een hotelkamer werd omgebouwd tot vormgeefstudio. Per koerier (meneer de Groot) werden vanuit Haarlem een tekentafel en een Grand projector bezorgd. De badkamer werd omgetoverd tot donkere kamer, waar de fotografen, André Beekman, Hans Heus, Ron Kroon en Jan Sterk na het laatste fluitsignaal hun filmrollen konden ontwikkelen en afdrukken.

In ons hotel was ook de voetbalploeg van Zaïre, het huidige Congo-Kinshasa, neergestreken. Inktzwarte mannen die met zweetpareltjes op hun koppen en gettoblasters op hun schouders, vrolijk door de gangen en de lobby van het hotel liepen te swingen op de klanken van mij onbekende Afrikaanse muziek.

Op de avond van 14 juni moesten Zaïre en Schotland tegen elkaar voetballen. Het was de eerste wedstrijd van die WK in Duitsland die ik bij zou wonen. 

Voor de ingang van het Westfalenstadion bevond zich een goedgevulde vijver. Goed gevuld met dronken Schotten, die vanwege het mooie weer hun spierwitte bovenlijven hadden ontbloot. Later zou blijken dat Schotten onder alle weersomstandigheden hun witte bovenlijven ontbloten als er gevoetbald moest worden. De man een fles whisky, zongen zij al poedelend in die volle vijver de ballade van Billy Bremner, hun held die er voor moest zorgen dat Schotland wereldkampioen ging worden. Er arriveerde een bus met supporters van Zaïre. Waarschijnlijk familie en vrienden van het staatshoofd president Mobutu. Weldoorvoede en fraai geklede en stuk voor stuk prachtige dames en heren, die hun eigen gezang aanhieven. Een ritmisch gehum waarbij zij in polonaise richting ingang dansten. De beschonken Schotten zagen het allemaal met verbazing aan en besloten ook maar eens naar binnen te gaan. 

In het stadion nam ik plaats naast een keurig in het pak gestoken zwarte jongeman waarmee ik al snel in gesprek raakte. Hij kwam, zoals ik reeds vermoedde, uit Zaïre, en bleek geneeskunde te studeren aan de Universität zu Köln. Een uiterst beschaafde kerel die, zeker voor iemand uit zo’n ver Afrikaans land, voortreffelijk Duits sprak. Na het eerste fluitsignaal echter, veranderde de beschaafde student geneeskunde in een volslagen waanzinnige. Tot aan het rustsignaal moedigde hij luidkeels zijn landgenoten aan in zijn, vermoedde ik, moedertaal om daarna weer de beschaafde student geneeskunde te worden waarmee ik zo’n alleraardigst gesprek had gevoerd.

Zaïre, dat later zou worden uitgeroepen tot een van de slechtste voetbalelftallen tijdens een WK ooit verloor deze wedstrijd waarin Billy Bremner niet scoorde, met slechts 0-2. 

Wat later op de avond keerde ook het nationale elftal van Zaïre terug in ons hotel. De zwarte mannen met hun vrolijk tetterende gettoblasters leken bepaald niet onder de indruk van de geleden nederlaag. 

Het was een heerlijke zwoele avond en terwijl de redactie van het voetbalweekblad na gedane arbeid buiten op terras nog een biertje dronk, arriveerde de ene na de andere taxi waaruit steeds schönere mädel stapten. “Hoeren” wist een van de voetbaljournalisten met stelligheid te melden. Langzaam werd het stiller op het terras. De nationale elf van Zaïre was de nederlaag aan het verwerken. Niet wetende dat hun president Mobutu na de volgende nederlaag van 0-9 tegen Joegoslavië zou besluiten de ploeg niet langer financieel te steunen. Mwepu Ilunga en zijn mannen zouden het gelag uit eigen zak moeten betalen.

Op woensdag 3 juli 1974 moest Oranje, in het Westfalenstadion in Dortmund, tegen regerend wereldkampioen Brazilië spelen. Ik als vormgever van het voetbalweekblad bleef tijdens de wedstrijden doorgaans in het hotel in Köln achter. 

Maar die avond had ik geluk. Ik hoefde niet als enige in de lobby van het hotel naar de wedstrijd op tv te kijken. Niet dat dat nou zo’n straf was, ik kon naar hartenlust van de bar en de keuken gebruik maken. 

Hoofdredacteur Bonewit, een ras ritselaar, had opgevangen dat Maja Suurbier niet op zou komen opdagen. Wim was weer eens vreemdgegaan en iedereen wist ervan. Maja had er schoon genoeg van, ze had even geen zin om daar in dat stadion voor schut te zitten. Ondanks verzoeningspogingen van de KNVB hield de mooie Maja haar welgevormde poot stijf. 

Bonewit had voor elkaar gekregen dat zijn layout man op de vrijgekomen plek op de hoofdtribune plaats kon nemen.

En daar zat ik dan, achter een clubje fraai uitgedoste Hollandse schonen. Twee ervan kende ik uit de media; Danny Kruijff en Truus van Hanegem. 

Na een moeizame eerste helft speelde onze manschap na de rust oogstrelend voetbal met al na vijf minuten een doelpunt van Johan Neeskens via een geweldige voorzet van Johan Cruijff.

De stemming zat er goed in en de Nederlandse supporters hieven een bulderend gezang aan. Ik kende de klanken natuurlijk van de televisie, maar praktijkervaring in het meezingen had ik bepaald niet. Naast mij zaten drie keurig in het pak gestoken, ik vermoede zakenlieden, die uit volle borst meezongen. De man direct naast mij stootte me aan en gebood me ook mee te zingen. Heel voorzichtig hief ik een bescheiden “hohholé, hohholé, hollé aan. Waarop de man mij meewarig aankeek en zei: “Hou daar maar weer mee op!”

Toen vervolgens Ruud Krol onze Cruijff op maat bediende waarop die er twee nul van maakte en vlak voor het einde van de wedstrijd de Braziliaan Luiz Pereira ook nog eens rood kreeg en het veld moest verlaten, wisten we het zeker; Nederland zou naar de finale in München gaan.

Het team van voetbalweekblad moest als een speer verhuizen van Köln naar München om daar op 7 juli verslag te doen van de finale tegen Duitsland. Een verhuizing waar niemand op had gerekend.

Een karavaan van journalisten en voetbalsupporters vertrok richting de Beierse hoofdstad in de hoop daar onderdak te vinden.

Aangezien ik niet over eigen vervoer beschikte viel mij de eer te beurt om met fotograaf André Beekman mee te mogen rijden. Een rit van een kleine zeshonderd kilometer met een chauffeur die uit alle macht probeerde het werelduurrecord te verbeteren. Gebroken en met een enorme kramp in mijn maag arriveerde ik op de afgesproken plaats, het hotel waarvan Bonewit dacht dat daar nog kamers vrij zouden zijn. Helaas, alle Zimmer bleken belegt. Maar Ruud die met de Duitse Ula getrouwd was en over het algemeen goed met onze oosterburen durch eine Tür kon, wist de man achter de receptie ertoe te verleiden zijn eigen appartement elders in de stad, aan ons te verhuren.

De ploeg zou zodoende de nacht voor de wedstrijd door moeten brengen als een zooitje asielzoekers avant la lettre. Slapend op banken, stoelen of op de grond.

Maar voor het zover was, trokken de mannen verdeeld in groepjes, eerst München in. Op de een of andere manier belandde ik met samen met Harry Vermeegen in een taxi. Wij gaven de chauffeur opdracht ons naar een gemütliche Kneipe te brengen: “und bitte kein Profis!” Nou, dat had onze Taxifahrer goed begrepen. Nadat de deur van het etablissement, waar de behulpzame chauffeur voor ons aanbelde, werd geopend, betraden wij een lokaal vol lallende, voornamelijk dikke heren met rooie koppen, en schaars geklede dames. Sommigen van die heren hadden een of zelfs twee van die Mädel op schoot. De stemming zat er goed in. 

Maar de hoerenmadam had onmiddellijk in de gaten dat wij in de verkeerde mop zaten. Alvorens de bazin ons onze vrijheid terug gaf moesten we toch eerst een drankje nuttigen. Uiteraard tapte men hier geen bier. Het werden twee glazen peperdure whisky, want om nu met z’n tweeën een fles Champagne te aan zitten nuttigen zonder ieder een dame op schoot, dat ging ons te ver.

De volgende taxi bracht ons naar het centrum van de stad waar het een drukte van belang was. We liepen een pijpenla binnen. Daar zaten mannen, van zo te zien Turkse komaf, naar een zwart-wit film, zonder geluid, te kijken die op de achterwand werd geprojecteerd. Porno. Ook hier kwamen wij niet weg zonder eerst een consumptie genuttigd te hebben. De volgende gelegenheid leek op een bruin café. We namen buiten op het terras plaats. Nog voor we iets hadden kunnen bestellen schoven twee bepaald niet onaantrekkelijke jonge dames aan, aan onze tafel. Of we zin hadden om samen met hen een flesje champagne open te trekken. Harry wilde wel eens weten wat zo’n flesje dan moest kosten.

Tachtig D-mark vonden wij toch wel wat veel. Harry informeerde vervolgens of zij animier Damen waren. Toen zij dat giechelend beaamden, of ze dan in het verleden zoals je dat dikwijls leest, soms door hun ooms waren misbruikt. En dat allemaal in steenkolenduits. Inmiddels was het giechelen van de dames overgegaan in gesnotter. Dit alles was de barman, die juist aanstalten maakte om onze bestelling op te nemen, niet ontgaan. Terwijl de twee hun relaas deden kwamen enkele heren, die aan belendende tafels gezeten, oorgetuigen bleken te zijn geweest van het voorval, dreigend op ons af. De journalist en de layout man kozen het hazenpad en besloten München bij nacht voor gezien te houden. Morgen zou een drukke dag worden.

Ruud Bonewit had in het Olympiastadion een kleedkamer geregeld waar de redactie na afloop van de wedstrijd in alle rust het verslag van de finale zou kunnen tikken.

In het zonovergoten stadion vond ik een plek op de tribune naast een Turkse meneer. Nadat ik mijn oranje pet had opgezet floot Jack Taylor, alsof hij op mijn signaal had gewacht, voor de aftrap. Al na een minuut spelen liet Johan Cruijff zich in het zestienmetergebied van de Mannschaft onderuit schoffelen door Uli Hoeness en mocht oud RCH-speler Johan Neeskens de strafschop nemen. Hard door het midden; Sepp Maier die een hoek in dook mocht vervolgens de bal uit het net vissen: 1-0.

Bijna 25 minuten later werd aan de andere kant van het veld Bernd Hölzenbein door Wim Jansen gevloerd en was het de beurt aan Paul Breitner. Als aan de grond genageld bleef Jan Jongbloed staan. Later liet hij weten dat het volstrekte onzin is om naar een bal te duiken waar je toch nooit aan zou kunnen komen. 1-1.

Vlak voor rust draaide Gerd Müller, Der Bomber, zich met zijn kont door de verdediging en knalde de bal in de verre hoek, 2-1.

Op weg naar de kleedkamer kreeg Johan Cruijff een gele kaart van Jack Taylor wegens zijn onophoudelijk gezeik tegen de scheidsrechter.

In de tweede helft leek het er aanvankelijk op dat er een overwinning voor Oranje in lucht hing. Maar van het briljante elftal dat we tot ongekende hoogte hadden zien groeien leek weinig over te zijn. Bovendien speelde Johan Cruijff, onze geniale spelverdeler, zijn slechtste wedstrijd van het toernooi.

Er ging een golf van verontwaardiging door het stadion toen een doelpunt van Gert Müller wegens buitenspel werd afgekeurd. En toen Hölzenbein voor de tweede keer over het been van Jansen struikelde en daarvoor ook nog eens geen strafschop werd gegeven dachten de Duitse toeschouwers dat ze gek werden.

De wedstrijd van de eeuw eindigde in 1-2 en (toen nog) West-Duitsland was wereldkampioen en waren wij er toch weer ingetuind.

Het belachelijke oranje petje gaf ik aan mijn buurman die de trofee met een enorme grijns op zijn Turkse tronie in ontvangst nam

Ik wurmde mij tussen de toeschouwers door op zoek naar de kleedkamer in de krochten van het Olympiastadion waar de redactie zich zou verzamelen. In het gras langs de weg naar de uitgang lagen her en der straalbezopen Oranjesupporters het verlies van het beste team van het toernooi te verwerken.

Terwijl de Kick-redacteuren zich trachten te concentreren op hun laatste bijdrage klonk uit de kleedkamer exact tegenover de onze een enorm kabaal en werd er luidkeels gezongen. Het was daar aan de overkant een komen en gaan van voornamelijk heren met champagneflessen onder de arm. De Mannschaft was de overwinning aan het vieren.

De redacteuren en de fotografen zouden die nacht nog met de auto vertrekken op weg naar Nederland. Ik had aan de hoofdredacteur laten weten dat ik nog eens zo’n autorit met André Beekman, of welke chauffeur dan ook, niet ging overleven. Bonewit was gezwicht voor mijn dreigement en had een ticket voor me geregeld. De volgende ochtend zou ik als laatste München verlaten om met Luft Hansa naar Schiphol te vliegen. Nadat de ploeg hun spullen had opgepikt bleef ik als enige achter in het appartement van de hotelmedewerker.

Terwijl ik zijn biervoorraad naar binnen werkte liet ik mijn oog vallen op een indrukwekkende platencollectie. Mijn gastheer had een voortreffelijke, en vooral brede smaak: jazz, klassiek, pop. Mijn oog viel op de LP Holland van de Beach boys. Het nummer Leaving this town werd gebruikt bij de aftiteling van het VPRO-programma ‘Het Gat van Nederland’ dat begin jaren zeventig op zondagavond werd uitgezonden, ik was er helemaal weg van.

Sometimes it’s hard to make it through the day
Sometimes it’s hard to find my way
Sometimes it’s hard to notice the changing days
When your friends have all gone
Leaving this town for another one

Nog steeds hevig teleurgesteld en boos over afloop van de eerste WK die ik zo van nabij had mogen meemaken, en behoorlijk dronken geworden ook, besloot ik wraak te nemen op die rotmoffen. Holland verdween in mijn weekendtas, dat zou ze leren!

De volgende morgen verliet ik de stad. 

Op de luchthaven kostte het mij de nodige moeite om de juiste gate te vinden. Waarschijnlijk had dat te maken met mijn posttraumatische stressstoornis. Maar het had natuurlijk ook een Beierse kater kunnen zijn.

In het vliegtuig bleek ik de enige Hollander te zijn. Alle andere passagiers waren Brazilianen, die op weg naar huis een tussenstop in Amsterdam zouden maken. Zij wisten de, wat aanvankelijk de zwartste dag uit mijn leven leek te worden, toch nog een gouden randje te geven. Toen de meneer die naast mij zat ontdekte dat ik een Hollander was, een landgenoot van de elf die zijn ploeg met lege handen naar huis had gestuurd, riep hij zijn reisgenoten op mij te feliciteren. Want… wij hadden het beste team, de besten hadden verloren!