Hama in zijn volkstuin in Noord
Hama in zijn volkstuin in Noord

Opgeven was geen optie voor Hama Jamal

Een dorp wordt niet gebouwd van stenen, maar van mensen. Van verhalen die zich vastzetten in straten, op pleinen en langs de zee. Sommige van die verhalen beginnen ver weg en eindigen hier. Zoals het verhaal van Hama Jamal, opgetekend door Mick Boskamp.

Hij staat voor de klas of hij helpt in de Rozan Markt van zijn vrouw, die fijne halal deli in Noord, alsof er niets is gebeurd. Alsof zijn leven niet al meerdere keren is gebroken en weer in elkaar gezet. Alsof verlies iets is dat je kunt parkeren en later weer ophaalt. Maar wie beter kijkt, kan het zien. In de manier waarop hij praat. In de rust die hij uitstraalt. In de manier waarop hij mensen aankijkt - alsof hij ze echt ziet.

Hama Jamal (64) is scheikundeleraar. Voetbaltrainer bij SV Zandvoort. Schrijver. Vader. Echtgenoot. En iemand die meer heeft meegemaakt dan de meeste mensen in een heel leven aankunnen.

Hij komt uit Sulemaniye, een stad tussen de bergen in Koerdistan, waar hij opgroeide in een wereld die al vroeg werd bepaald door strijd. Als Koerd stond hij bijna vanzelfsprekend tegenover het regime van Saddam Hussein. Strijd was geen keuze, maar een gegeven. Hij was jong, had verantwoordelijkheid, gaf leiding. En geloofde in iets dat groter was dan hijzelf. Tot het moment kwam waarop alles kantelde.

Gewaarschuwd door een gevoel

Een gevoel, zegt hij. Een slecht gevoel. Alsof iets hem probeerde te waarschuwen. Hij wilde terug. Weg van de plek waar gevochten zou worden. Zijn beste vriend noemde hem een lafaard. Maar als ze bleven, was dat zelfmoord wist Hama. En had zijn vrouw straks geen man en zijn kinderen geen vader meer. Twee dagen later kwamen de tanks. Hij overleefde. Zijn beste vriend niet.

Vanaf dat moment werd alles donkerder. Het leven ging door, maar het licht was weg. Hij had een positie, een goed leven, een huis, status. Maar geluk? Nee. Dat was verdwenen. Dus nam hij een besluit dat alles zou veranderen: hij vertrok. Weg uit Irak. Weg van alles wat hij kende.

Met zijn vrouw en kinderen begon een reis die niets te maken had met avontuur en alles met overleven. Smokkelroutes. Bedrog door mensen die het beste met hen voor leken te hebben. Angst. Koude. Rusland. Wachten. Altijd wachten. Ondertussen was zijn vrouw al richting Nederland gegaan. Hij had nu drie kinderen om voor te zorgen, waarvan de jongste nog een baby was. 

Op een dag moest hij twee van zijn kinderen meegeven aan vreemden. Mensen die hij niet kende. Mensen die beloofden ze naar Nederland te brengen. Zijn zoon wilde niet mee. Hij moest wachten tot hij sliep. Toen gaf hij hem een kus en liep weg. Niet omdat hij wilde, maar omdat hij niet anders kon.

Even later stond hij buiten en begon te schreeuwen. Tegen niemand in het bijzonder. Tegen alles. Vier dagen hoorde hij niets. Vier dagen waarin alles mogelijk was. Vier dagen waarin een mens breekt of doorgaat. Hij ging door.

Geen woorden voor het verdriet

Zijn kinderen bereikten Nederland. Zijn vrouw ook. Uiteindelijk was het moment aangebroken dat hij zelf naar hier kon vertrekken. En toen gebeurde iets wat zelfs in zijn leven bijna niet te bevatten was: zijn vierjarige zoon Akkar verdronk in Nederland. Een ongeluk. Twee minuten. Dat was genoeg. Zijn hart klopte nog even, maar zijn hersenen niet meer. Het is het soort verdriet waar geen woorden voor zijn. Dus gebruikt hij ze ook niet te veel. De enige woorden die hij herhaalde waren: ‘Ik moet door. Voor mijn gezin.’

Zandvoort werd zijn nieuwe begin. Niet omdat hij het kende, maar omdat hij de zee wilde zien. Hij kwam uit een stad tussen bergen. Hij wilde ruimte. Water. Horizon. En die kreeg hij. Een leeg huis. Een vloer om op te slapen. En een vrouw die bleef staan. Zijn vrouw. Altijd weer zijn vrouw. Sterk, noemt hij haar. Liefdevol. De basis.

Hij moest opnieuw beginnen. Niet langzaam, maar meteen. Werken. Leren. Overleven. Nederlands leren door boeken mee te nemen naar de voetbalclub. Vragen stellen. Luisteren. Kijken. Hij stond achter de bar, werkte op het strand, liep krantenwijken. Alles om onderdeel te worden van een wereld die hem nog niet kende. En die wereld was niet altijd vriendelijk.

Hij merkte het op het voetbalveld. In kleedkamers. In kleine opmerkingen. In grote stiltes. Soms openlijk, soms verborgen. Mensen die stopten omdat hij er was. Mensen die hem zagen als “de ander”. Hij zag het. Hij onthield het. Maar hij bleef. Want opgeven zat er niet in.

Hij werd voetbaltrainer. Eerst zonder diploma. Gewoon omdat hij het wilde. Omdat hij het kon. Omdat leiderschap in hem zit. Later volgden clubs, functies, successen. Hij werd hoofdtrainer, werkte bij verschillende verenigingen, en kwam uiteindelijk weer terug waar het ooit begon: Zandvoort. Daar werd hij niet meteen met open armen ontvangen. Maar ook dat veranderde. Want wie blijft, wint. Niet altijd snel. Maar uiteindelijk wel.

Afkomst telt niet, gedrag wel

Naast het voetbal stond hij voor de klas. Scheikunde. Een vak dat draait om structuur, logica, balans. Misschien juist daarom. Misschien omdat zijn eigen leven dat zo vaak niet was. In zijn klas is iedereen bovendien gelijk. Niet afkomst. Niet kleur. Niet achtergrond. Alleen gedrag telt.

Hij zegt het ook zo tegen zijn leerlingen: wie je bent, interesseert me niet. Hoe je je gedraagt wel. Daar beoordeel ik je op. Daar corrigeer ik je op. Niet op wie je bent, maar op wat je doet. Het is simpel. Maar niet eenvoudig.

Zijn leerlingen begrijpen het. Voelen het. Daarom droegen ze hem voor als Mentor van het Jaar. Uit honderden scholen, duizenden leerlingen. Hij hoorde bij de besten. Misschien wel omdat hij meer meebrengt dan alleen kennis. Hij brengt leven mee.

Hij weet wat verlies is. Wat verantwoordelijkheid is. Wat doorzetten is. En wat het betekent om opnieuw te beginnen als niemand op je zit te wachten. Hij noemt zichzelf streng, maar rechtvaardig. En dat klopt. Want onder die strengheid zit iets anders. Iets zachts. Iets dat je niet meteen ziet, maar wel voelt. Liefde voor mensen.

Hij legt het zelf uit aan de hand van een atoom. In de kern zitten de mensen die het dichtst bij hem staan. Daaromheen bewegen anderen. Ze horen er allemaal bij. Zonder hen is hij geen geheel. Maar niet iedereen komt in de kern. En wie eruit valt, komt er niet zomaar meer in. Het is een systeem dat hij zelf heeft gebouwd. Logisch. Helder. Veilig.

Na alles wat hij heeft meegemaakt, is dat misschien wel noodzakelijk.

Ruim dertig jaar later…

Inmiddels woont hij al meer dan dertig jaar in Zandvoort. De helft van zijn leven hier, de andere helft daar. Hij spreekt de taal, kent de mensen, heeft generaties leerlingen zien opgroeien. Jongens die hij ooit les gaf, staan nu zelf voor de klas. Voetballers die hij trainde, zijn volwassen geworden. Hij heeft zijn plek gevonden. En misschien nog wel belangrijker: hij heeft die plek zelf gemaakt.

Zandvoort is voor hem geen eindpunt. Het is een bewijs. Dat je opnieuw kunt beginnen. Dat je kunt vallen en toch verder kunt. Dat je alles kunt verliezen en toch iets kunt opbouwen dat blijft. Morgen staat hij weer voor de klas. Langs de lijn. In Rozan Markt in Noord. Of gewoon ergens in het dorp waar hij ooit als vreemdeling binnenkwam.

Niet meer als buitenstaander. Maar als iemand die met hart en ziel is gebleven.