
Column Mick Boskamp: Jack Brep-um
· leestijd 1 minuut Columns Floor ThomasseToen ik tien jaar jong was, in 1966, ging ik met een oom en een neef voor het eerst naar een race kijken op het circuit. En het was meteen raak.
Want daar op dat slingerende stuk asfalt in de duinen, werd op 24 juli van dat jaar de Grand Prix Formule 1 van Nederland verreden.
Voor mijn idee was het toen een stralende, zonnige dag, maar als ik het opzoek blijkt het op die datum half bewolkt te zijn geweest. Enfin, ik weet in ieder geval nog precies waar we stonden in de duinen. Bij de Hunserug. Op het punt waar de bolides gierend door de Hugenholzbocht kwamen. Dat heb ik nog haarscherp voor me. Echt!
Waar ik inmiddels niet zo zeker meer van ben, is dat er vooraf aan de Formule 1 ook toerwagens raceten. Waarbij Ben Pon in een Porsche ronde na ronde na ronde op kop lag en dus ook won. Opeens herinner ik me dat Ben zijn koplampen aan had. Misschien omdat het half bewolkt was?
En toen begon het echte werk. De formule 1. Er reden geen Nederlanders mee in ’66. Maar ik had wel een favoriet. Jack Brabham. Waarom? Al sla je me dood. Misschien omdat Brabham in een Brabham reed. Dat was natuurlijk wel super stoer. Dat je in je zelfgebouwde wagen rijdt. Daarnaast leek hij ook nog op een jongere versie van mijn grootvader. Maar eerlijk gezegd denk ik dat de naam Brabham an sich de doorslag gaf.
Brabham spreek je uit als Brep-um. En als je dat een paar keer achter elkaar zegt, dan lijkt dit op het geluid van een racewagen die in stilstand steeds een dot gas laat horen.
Kortom: Jack moest en zou winnen. Mijn gebeden werden verhoord. Hij zou twee keer als eerste eindigen in Zandvoort. In 1960 en in mijn 1966. Vóór Jim Clark en Graham Hill.
Mijn oom had geen trek om tientallen guldens uit te geven voor drie hoofdtribune-plekken. Begrijpelijk, maar jammer. Want er was veel te zien tijdens de 66-editie. Zo was mijn held aan de start verschenen met een grote nepbaard en lopend met een stok. Dit als reactie op het feit dat Brabham met zijn 40 jaar in de media werd afgeschilderd als zijnde te oud. Humor was de Australiër niet vreemd.
En er werd gefilmd voor de Amerikaanse speelfilm Grand Prix, geregisseerd door John Frankenheimer en met James Garner en Yves Montand in de hoofdrollen. Garner, zelf een verdienstelijk coureur, maakte voor filmopnames een paar rondjes op het circuit. Zonder veiligheidsgordel. Want die droegen ze nog niet in die tijd. Ja, ook Jack Brep-um niet.
Ps. Hier een schitterend stukje Zandvoort-circuit uit bovengenoemde film:







